In Hoeverre is De Heerser Kenmerkend voor de Tijd van de Renaissance?

In Hoeverre is De Heerser Kenmerkend voor de Tijd van de Renaissance?

Als men denkt aan Machiavelli komt meteen de periode: Renaissance ten beeld. Maar wat is de Renaissance nou eigenlijk? Om tot een beter beeld te komen over hoe de Renaissance is ontstaan en zich heeft ontwikkeld, kijkt men terug op individuen die met hun ideeën en kunstwerken de maatschappij vooruitstuurden. Z de toekomst in met invloeden uit de oudheid. Maar eerst gaan we de genres bespreken.

De nieuwe genres die de Renaissance heeft voortgebracht in termen van sculpturen kan men het beste beschrijven als een herleving van de klassieke genres. Zoals het portret buste en de mythologische figuur of groep. Ook de opkomst van het portret in de schilderkunst als een onafhankelijk genre is een trend die aangemoedigd werd door voorbeelden uit de oudheid. Kunst is het eerste wat er bij de meeste mensen opkomt als men aan de Renaissance denkt. In de periode zelf, echter, werd literatuur en lering door de geleerde veel serieuzer genomen dan de ‘mechanische kunsten’. Een categorie waar schilderen, sculpturen en architectuur samen werd gepakt met agricultuur, weven en navigatie, dit tot groot protest leidend van de kunstenaars.

De geleerden uit die tijd hadden de voornaamste genres uit het oude Rome nieuw leven ingeblazen. De genres zoals; het epos, de komedie, en andere kregen weer nieuw licht in de Renaissance. Een prachtig voorbeeld is het epos, de Africa, van de Italiaanse humanist Petrarca (1304 – 1374). Dit epos is gebaseerd op het leven van de grote Romeinse generaal Scipio Africanus. Het is een van de vele imitaties van de Romeinse dichter Vergilius’ Aeneid (70 v. Chr. – 19 v. Chr.). In dit verhaal werden de heroïsche daden verteld door middel van flashbacks. Ook werden afwisselende daden op aarde gedaan met daarop debatten met de Goden. Om de betekenis van de herleving van de klassieke vormen van architectuur, drama of het enthousiasme voor het herontdekken en bewerken van oude manuscripten te begrijpen moeten we het zien als allemaal onderdelen in een veel ambitieuzer project. Namelijk de restoratie van het oude Rome. Sommigen dachten dat zij en hun medeburgers de ‘nieuwe Romeinen’ zouden kunnen worden. Dit dacht men te doen door te praten zoals de Romeinen, te schrijven als Romeinen, zoals ze te denken en uiteindelijk hun prestaties na te doen, van het Colosseum en de Aeneid tot het Romeinse rijk zelf.

De materiële overleving uit de oudheid – munten, tombes, tempels, amfitheaters e.a. – Was vrij bekent bij de Italiaanse bevolking uit de late Middeleeuwen. Dan volgt al snel de vraag: waarom werd de klassieke tijd zo serieus genomen vanaf de tijd van Petrarca? Een duidelijk antwoord is dat het voorbeeld van de oudheid meer relevantie had in die tijd. Dus wat was zo veranderd? De meest opvallende verandering kan men zien in de opkomst van de Noord- Italiaanse stadstaten in de 12e en 13e eeuw, in andere woorden; de inbeslagname van zelf- besturing van de steden zelf. De economische opkomst is voornamelijk te verklaren door de groeiende handel tussen Europa en het Midden- Oosten. Het is niet moeilijk om te in te zien dat de koopman oligarchieën zelfstandigheid wilden. De regerende groep van deze steden gingen zich ‘consuls’ of ‘patriciërs’ noemen. De stadsraden werden ‘senaten’. De steden zagen zichzelf als een nieuw Rome.

Maar, de herleving van de oudheid had niet dezelfde betekenis voor iedereen. Het betekende wat anders in Florence dan in Rome en weer wat anders in Venetië. Dit kwam doordat er een duidelijk splitsing was in de drie sociale groepen die enthousiast meededen met het herleven van de oudheid. De Humanisten is nummer één van de drie, zij bestonden vooral uit leraren en advocaten. De leden van de besturende klasse zijn de tweede groep. Zij bestond vooral uit patriciërs, prelaten en prinsen. Zij gingen zich gedragen als patroon die de nieuwe vormen van kunst en leren ondersteunden. De derde groep zijn de kunstenaars. Zij kwamen voornamelijk uit het lagere gedeelte van de samenleving; de zonen van stedelijke ambachtslieden en winkeliers.
Een beeld kan ontstaan dat alleen in Italië de innovatie en de creativiteit plaatsvond terwijl de rest van Europa er passief bijstond. Wat is er mis met dat beeld? Om te beginnen ontstonden de belangrijkste ervaringen van Petrarca in het Pauselijke hof, in die tijd gevestigd in Avignon. In Avignon maakte hij tevens de meest beduidende vriendschappen en schreef hij zijn meest beroemde gedichten. De nieuwe techniek olieverf schilderen werd uitgevonden in Nederland in de vroege jaren van de 15e eeuw. Deze nieuwe verf techniek vond zijn weg naar Noord- Italië door schilderijen van Vlaamse meesters die in Italië zeer gewaardeerd werden.

Maar de Renaissance verspreide zich uiteindelijk wel vanuit Italië. Om dat proces te begrijpen moet men kijken naar de Italianen die emigreerden vanuit Italië naar de rest van Europa. Dit ging gepaard in twee groepen: de Humanisten en de kunstenaars. De eerste groep die emigreerden waren de Humanisten. Deze uitloop kan men goed plaatsen tussen 1430 en 1520. De Italiaanse geleerden gingen naar; Frankrijk, Hongarije, Engeland, Spanje, Polen en Portugal. De kunstenaars emigreerden over het algemeen een generatie later. Net als bij de Humanisten gingen de meeste Kunstenaars naar Frankrijk. Als je dit zo bekijkt ontstaan snel de vraag: ‘waarom zouden ze vertrekken uit het mooie Italië?’ Vandaag de dag is de beslissing om te reizen of in het buitenland te werken een stuk makkelijker dan in die tijd. De moeilijkheden van het reizen, de gevaren onderweg en de pijnlijkheid van ballingschap maakte de beslissing tot reizen een stuk moeilijker. Sommige kunstenaars en Humanisten verlieten Italië voor redenen die niets te maken had met de Renaissance. Ze gingen bijvoorbeeld op een diplomatieke missie of ze werden verbannen uit Italië voor politieke of andere redenen. Een veel groter deel van de kunstenaars en Humanisten werd uitgenodigd door hun patroon om voor ze te werken in het buitenland. Deze patronen konden buitenlandse vorsten of lokale aristocratie met literaire of artistieke interesse zijn.

Op het gebied van recht is een enorme stap voorwaarts gezet door de wederopleving van het Romeins recht. In dit geval het recht van het keizerrijk en niet de republiek. De republiek eindigde na 482 jaar door het uitroepen van het keizerschap van Augustus in 27 V. Chr. Dit recht van het Romeinse rijk werd vooral belangrijk voor de monarchieën ten noorden van de Alpen. Romeins recht werd al eeuwen bestudeerd op de universiteit van Bologna. Gedurende de vijftiende en zestiende eeuw werden de geleerden steeds beter bewust van de relatie tussen Romeins recht en de maatschappij die zich daardoor heeft weten te vormen. Hierdoor werden de veranderingen in het rechtssysteem door de tijden heen ook duidelijker.
Een aantal Italiaanse humanisten hadden een speciale interesse in de filologie van de oude teksten. Vanuit het oogpunt van de advocaten en juristen waren deze humanisten amateurs. De echte vooruitgang werd behaald door mensen die een dubbele studie hadden genoten; zowel recht als in het humanisme.
Humanisme

Paaszondag 8 april 1341 mag een mooi begin genoemd worden van het humanisme. De dag waarop de dichter Fransesco Petrarca, getooid met een lauwerkrans, gekroond werd tot dichter van de stad door de voorzitter van de Romeinse senaat, Orso van Anguillara. In het dankwoord vermeldde Petrarca onder anderen dat deze plechtigheid zo bijzonder was omdat deze eer in geen twaalfhonderd jaar meer was ontvangen. De laatste van wie wij lezen dat hij dat eerbewijs heeft mogen ontvangen, is de beroemde dichter Statius, die leefde tijdens de regeerperiode van Domitianus. (81 – 96)
Terug kijkend op de vorige duizend jaar zag Petrarca alleen maar een diepe afgrond die ‘kwebbelkunstenaars’ had voortgebracht. Petrarca verlangde terug naar de antieke tijd. Een tijd die hij weer in volle glorie terug zou willen zien. Zijn visie op het verleden contrasteren met de overheersende gedachte uit die tijd. Tot dan toe was het verleden een voortdurende sleur. Het was overal hetzelfde, in het heden verleden en toekomst. Alles paste perfect in elkaar en alles was even belangrijk en iedere tijd droeg op zijn eigen wijze bij aan het heilsplan van god.

Heel anders was de visie van de Italiaanse dichter Dante Alghieri (1265 – 1321). Volgens hem was de geboorte van Jezus Christus onder het bewind van de keizer Augustus, die op dat moment de gehele bekende wereld onder zijn macht had, het bewijs dat God bedoeld had dat de wereld in eenheid en vrede zou verkeren onder de alleenheerschappij van de keizers. Dante zag dit nog steeds gebeuren in zijn eigen tijd, alleen gebeurde dit onder andere keizers, zoals Hendrik VII van Luxemburg en Lodewijk de Beier. Petrarca moest ook toegeven dat er een Duitse keizer bestond onder een Romeins keizerrijk. Maar het echte Rome was al lang geleden verloren gegaan. Beiden zagen ook het verval en de verzwakking van dat keizerrijk dat bijna helemaal opgevreten was door barbaren. Petrarca begaat dan een misdrijf voor die tijd. Zijn gedachtes vlogen terug in de tijd en hij droomde van een tijd van glorie, voorspoed en beschaving. Hij was ervan overtuigd dat precies dat mogelijk is in het leven zelf, dat ze niet hoeven te wachten tot de opstijging naar de hemel plaats vind. Hij droomde van een nieuwe opleving van de Romeinse cultuur. Het doel in zijn leven was Rome weer het middelpunt maken van Europa. Uiteindelijk zat Dante nog in een middeleeuwse gedachtegang, waar Petrarca een onderscheidt zag tussen Oudheid en Middeleeuwen. Petrarca probeerde zijn doel te bereiken door brieven te schrijven naar de Duitse keizer. Hij riep de keizer op om Duitsland te vergeten en terug te keren naar Italië. Hij schreef ook naar Cola di Rienzo (Italiaanse politicus, 1313 – 1354), een man die niet alleen droomde van een nieuw Rome maar in 1347 ook een serieuze poging ondernam om de Romeinse republiek te herstellen. Petrarca steunde hem hierin onvoorwaardelijk hierin.
Hier een citaat uit een brief die Petrarca naar Cola di Rienzo schreef in 1344. Petrarca feliciteert Cola di Rienzo nadat hij was benoemd tot Tribune, de bestuurder, van de stad Rome.

Geniet van deze zege. Deze realisatie van uw droom die u al vele jaren droomt. Geniet ervan, maar doe dit in moderatie en met kalmte. Dank God, de verstrekker van dit geschenk, die zijn meest heilige stad nog niet vergeten is. God kon zijn stad in kettingen niet meer aanzien. De stad waar god het rijk van de wereld in zetelde.

Petrarca was een van de eerste die droomde van een nieuw Rome en in zag dat er een ander verleden bestond.
Dromen over het verleden en de terugkeer naar een glorie onder Rome kan men zien als het ultieme doel van een Humanist. Maar om dat uiteindelijke doel te bereiken moest men meer weten over het verleden, hierin speelt de interesse in het behouden van de literaire kunsten uit de oudheid een zeer belangrijke rol. Uiteindelijk zal behouden van de literaire kunsten uit de Oudheid de hoofdmoot vormen van de humanisten uit alle tijden. Dat de geschriften in handen kwamen van de humanisten in de 14e eeuw wordt over het algemeen toevertrouwd aan de nieuwe contacten met het oosten, waar kopieën in het Grieks bestonden. Maar het is niet zo dat door de kruistochten een compleet nieuwe literaire wereld verscheen in Europa. Er zijn incidentele situaties in Europa tijdens de Middeleeuwen die een continuïteit bewijzen. In de 8ste en 9e eeuw voltrok zich een Karolingische renaissance. Een voorbeeld hiervan is Heiric (Frans-Benedictijnse theoloog, 841 – 876) uit Axerre. Axerre was sinds de late oudheid een belangrijk cultureel centrum geworden. Om de continuïteit te bewijzen zal ik een voorbeeld gebruiken. De chorographia, opgeschreven in de eerste eeuw na christus door Romeinse geograaf Pompeius Mela, was in het bezit gekomen van Petrarca tijdens zijn verblijf in Avignon rond de jaren 30 van de 14e eeuw. Hoewel het precieze kopie die Petrarca in zijn handen had verloren is gegaan, kan men aan de hand van kopieën die ervan afgeleid waren, duidelijk aan de annotatie zien dat de resultaten waren toegeschreven aan de arbeid van oudere geleerden. Men kon duidelijk zien dat de kopie die Petrarca bezat uit de 12e eeuw kwam. Deze kopie kent zijn oorsprong in de 9e eeuw waar, in Axerre, de Karolingische geleerde Heiric een ander kopie annoteerde. Heiric had dit weer te danken aan een mengeling van teksten verzameld door de vijfde-eeuwse Romeinse dichter Rusticius Helpidius Domnulus in Ravenna, dat sinds de late oudheid een belangrijk cultureel centrum was geworden. In dit geval – en dit geval is niet uniek – kunnen we een directe lijn, van tekstuele nalatenschap van Rome tot aan de Renaissance, vormen. Deze continuïteit werd opgebouwd en onderhouden door de activiteiten van geleerden.
De liefde en belangstelling voor oude geschriften kan men terug vinden in alle tijden.

Deze liefde die de humanisten hadden voor de oudheid kan men ook terug vinden bij Machiavelli. In zijn latere jaren zou Machiavelli zichzelf begraven in de annalen uit het verleden. In een van zijn brieven aan de Italiaanse diplomaat Fransesco Vettori (1474 – 1539), beschreef hij zijn ballingsschap.

Als de avond valt en ik terugkeer naar huis trek ik mij terug in mijn studeerkamer. Ik trek al mijn, met modder en viezigheid onderdompelde, kleren uit. Daarop trek kleren aan die een ambassadeur waardig zouden zijn. Fatsoenlijk gekleed betreed ik de oude hoven van heersers die lang geleden zijn overleden. Een warm welkom wacht mij daar en ik voed mijzelf op het enige wat mij kan, met volste genot, kan voeden. Ik schaam mij niet om met hen te praten. Te vragen of zij hun acties kunnen uitleggen. Uit vriendelijkheid geven zij mij antwoord. Vier uur gaan voorbij zonder ook maar een vlaagje bezorgdheid. Ik vergeet alle zorgen. Ik ben niet langer bang voor armoede of bang voor de dood. Ik leef in mijn totaalheid door hen.

Een prachtige omschrijving voor de liefde die men kan koesteren voor het verleden. Met een combinatie van passie en vrede verlaat hij tijdelijk het heden om stappen te zetten in verloren tijden. Dit doet hij niet alleen voor zijn eigen gemoedsrust, maar hij gebruikt deze ‘gesprekken’ en ‘antwoorden’ om twee van zijn invloedrijkste en belangrijkste werken te schrijven. ‘De heerser’ en ‘Verhandelingen over de eerste tien boeken van Titus Livius’.

De Heerser van Machiavelli is een bedrieglijk boek. Dat kan je verwachten van iemand waarvan zijn naam synoniem is geworden voor bedrog.
De heerser is een werk waar iedereen wel eens van gehoord heeft, of misschien wel een vooroordeel over heeft. Om een voorbeeld te noemen, in 2006 was er een nieuw boek uitgekomen: ‘The Suits: A Machiavellian Approach to Men’s Style’. Machiavelli’s naam is overal, het word overal op toegepast, voor topmanagers en nu zelfs voor mannenmode. Iedereen weet of denkt te weten waar zijn werk over gaat. Zijn naam staat synoniem voor: bedrog, verraad, sluwheid en misleiding. De moeilijkheid met het lezen van zijn werken is dat we allemaal al denken te weten wat hij bedoeld en dat is onjuist.

Machiavelli zag zichzelf als revolutionair. In het voorwoord van zijn grootste boek, de verhandelingen over de eerste tien boeken van Titus Livius, vergelijkt hij zichzelf met Christopher Columbus. Machiavelli beweerd dat wat Columbus voor geografie heeft gedaan, hij voor politiek gaat doen. Om een heel nieuw continent, een nieuwe wereld te ontdekken. De nieuwe wereld van Machiavelli.

Ondanks voor zijn liefde voor de oudheid, kan hij geen humanist in de eigenlijke zin van het woord genoemd worden. Machiavelli was geen filoloog, hij was niet geleerd in de dode talen en had daarvan geen studie genoten. Maar de antieke literatuur bood hem een mogelijkheid om door te dringen in de wereld van het menselijk denken en reageren. Vanuit deze observaties vormde hij dan vervolgens een visie op het leven, zijn visie.
Machiavelli wilde hetzelfde doen voor politiek wat Leonardo da Vinci (Italiaanse schilder, architect en uitvinder, 1452 – 1519) en Michelangelo (Italiaanse kunstschilder, 1475 – 1564) hadden gedaan voor kunst en sculpturen. Hij hoopte de levenskracht van de oudheid, in enige mate, te doen herleven om het uiteindelijk te modificeren in naar zijn eigen ervaringen.

Het hart van De Heerser is weliswaar doordrenkt met het Humanisme. Machiavelli toonde aan dat mensen, en niet noodzakelijk bovennatuurlijke krachten, verantwoordelijk zijn voor hun acties. Machiavelli schrijft dan ook: “Maar om de vrije wil van de mens niet te ontkennen, wil ik hier toch als mijn mening naar voren brengen dat het waarschijnlijk zó is dat het lot de helft van onze zaken in handen heeft, maar dat de andere helft of praktisch de andere helft aan ons zelf overlaat.”
Hierbij volgt hij in een lange traditie die begonnen was met Petrarca.

Humanisme stelt ook een breekpunt met een oude leer uit de Middeleeuwen. Humanisme ziet in dat niet het geloof en de waarde van het christendom, maar de mens centraal staat in de samenleving. Machiavelli beredeneert dit in hoofdstuk 18 van ‘De Heerser’.

Wanneer men hem (de heerser) ziet en hoort, moet hij een en al barmhartigheid, betrouwbaarheid, oprecht en godsdienstigheid schijnen. En niets is méér noodzakelijk dan de schijn te wekken dat men beschikt over de laatstgenoemde eigenschap.

Deze redenering gaat ervan uit dat een Christen zijn noodzakelijk is, maar christelijke waarden ten volle uitvoeren schadelijk is. Ten eerste is dit een duidelijke breuk met christelijke waarden in de maatschappij. Ten tweede heeft deze redenering een diepere ligging in de oudheid. Hier gebruikt hij hetzelfde soort redenering als de Griekse filosoof Plato (424 v. Chr. – 348 v. Chr.) in gesprek met ene Glaucon. In het gesprek vraagt Plato aan Glaucon of het misschien niet belangrijker en beter is om alleen rechtvaardig te lijken in plaats van het daadwerkelijk te zijn. Machiavelli gaat uit van dezelfde redenering: is het niet beter om Christelijk te lijken in plaats van Christelijk te zijn?

Machiavelli stelt zelf de vraag hoe het kwam dat mensen uit de oudheid meer geneigd waren in vrijheid te leven. Zijn antwoord staat gelijk met het antwoord dat gegeven kan worden op de vraag waarom de mensen uit zijn tijd minder stoutmoedig zijn dan in de oudheid. Zijn antwoord zit in de opvoeding en het onderwijs uit die tijd, en dat valt weer samen op het verschil tussen de religie uit de oudheid en de religie van zijn tijd. De religie uit zijn tijd leert de mens de waarheid en het ware pad van het leven. Ze geven heel weinig krediet aan wereldlijke eer. Dit in tegenstelling tot de oude leer waarin grote waarde wordt gehecht aan wereldlijke eer en vertoon.
Dit is goed te observeren als men de rituelen uit beide tijden gaat vergelijken. De rituelen uit de oudheid worden gekarakteriseerd door vertoon van pracht. Terwijl rituelen uit de tijd van Machiavelli gericht waren op nederigheid. Er is geen enkel stukje wildheid of moed terug te vinden in de Christelijke rituelen. De rituelen uit de oudheid, in tegenstelling, hadden een overvloed van moed en wildheid. De dierenoffers zijn daar een goed voorbeeld van. Een ander voorbeeld is de verering van personen. In de oudheid werd je alleen vereerd als je een glorieuze generaal of bestuurder van een staat was. In de tijd van Machiavelli werden juist nederige en beschouwende mensen vereerd. Het waardepatroon uit de Oudheid verschilde dus aanzienlijk met dat uit de tijd van Machiavelli.

Machiavelli redeneert daarop verder dat de wereld daardoor zwak is geworden. Door de christelijke waarden is de wereld overgeleverd aan de slechte mensen. Zij leiden de wereld doordat zij bewust zijn van het feit dat sinds de mens als enige doel het paradijs heeft, zij beter hun verwondingen kunnen verdragen dan ze te wreken. Het conflict dat er bestaat tussen heidense wereldlijk en christelijke onschuld is de grondslag van Machiavelli’s morele code.

Een ander ideaal of slagzin die Machiavelli uitdraagt op het gebied van vrijheid is: ‘met eigen wapens’. Hierin propageert hij dat om vrijheid van een stadstaat te garanderen, moet men met eigen wapens de vrijheid veilig stellen. Dit gebaseerd op de samenstelling van de republikeinse legers van het oude Rome. Religie, in de ogen van Machiavelli, zou de heerser moeten aanmoedigen om op eigen wapens te steunen en te rekenen in plaats van Goddelijke interventie. Een goed voorbeeld wordt zelf door Machiavelli geïllustreerd in hoofdstuk 13 van de heerser. Hierin beschrijft hij het verhaal van David en Goliath. Hierin vertelde Machiavelli hoe David Saul het aanbod deed om de strijd aan te binden met de Filistijn Goliath, die de Israëlieten uitdaagde. Daarop gaf Saul hem, als aanmoediging, zijn eigen wapenuitrusting. Maar nauwelijks had David deze aan of hij deed haar weer af. Hij zei dat hij er niet goed mee uit de voeten kon, en daarom wilde hij de vijand tegemoet treden met zijn slinger en mes. Concluderend stelt Machiavelli vast dat andermans wapenuitrusting ofwel zó ruim is dat je haar verliest, ofwel zó zwaar weegt dat je er last van hebt, ofwel zó krap zit dat je erdoor beknelt raakt. Dit is een interessante opmerking van Machiavelli en een subtiele aanpassing van het verhaal. In het Oude- Testament staat dat David Goliath tegemoet ging in de wapenuitrusting van Saul en zijn eigen slinger. Waar komt dat mes dan ineens vandaan? Machiavelli geeft hier heel subtiel iets aan: vertrouw op God maar neem voor de zekerheid een mes met je mee. Hier bedoelt hij mee te zeggen dat christelijk geloof oprecht kan zijn en goed kan zijn, maar eigen wapens is minstens zo belangrijk.

Het uiteindelijke punt dat Machiavelli wil maken door de voorgaande passages in ‘De Heerser’ neer te zetten is dit: Als vrijheid het doel is, moet je weten hoe je niet goed moet zijn. Dit is volgens de christelijke definitie van niet-goed. De christelijke waarden; bescheidenheid, de andere wang toekeren, vergeving van zonden moeten worden verworpen als men goed wil doen in tegenstelling van alleen goed zijn.

Zoals al eerder besproken zag Dante, in De Monarchia, een roeping voor een universeel christelijk rijk dat gebaseerd is op eenheid en harmonie van het menselijk ras onder een christelijk leider. Machiavelli verwierp het idee van een christelijk rijk. In plaats daarvan greep hij eerst terug op het model van het Republikeinse Rome. In zijn werken komen de capaciteiten en deugden van de burgers van de oude republikeinse stad- staat sterk terug. Maar zoals Machiavelli breekt met de notie van een universeel christelijk rijk, verwerpt hij uiteindelijk ook het oude model van een kleine autonome republikeinse stad staat.
In het begin van hoofdstuk 15 beschrijft hij dit heel duidelijk:

Maar aangezien het mijn bedoeling is iets te schrijven dat nuttig is voor wie het begrijpt, vind ik het beter om me te houden aan de feitelijke werkelijkheid van de dingen dan aan de gefingeerde voorstelling ervan. Velen hebben zich namelijk staten en machtsposities voorgesteld die men in werkelijkheid nooit hebben gezien of gekend heeft. Want er is zo’n groot verschil tussen hoe men leeft en hoe men zou moeten leven dat iemand, die wat men doet verwaarloost voor wat men zou moeten doen, eerder zijn ondergang dan zijn redding tegemoet gaat.

In andere worden, geen platonische steden in taal, geen Augustijner steden van God. Hij zegt dat hij alleen gaat kijken naar effectieve waarheid van dingen. Niet naar de fantasie van dingen, of de utopie van dingen. Deze passage, het begin van hoofdstuk vijftien, wordt vaak gezien als de essentie van Machiavelli’s realisme, een soort van Realpolitik. Dit is in meerdere opzichten de essentie van zijn leer. De ware essentie: de feitelijke werkelijkheid wordt vaak genegeerd door denkers als Plato en Aristoteles. Machiavelli is juist geïnteresseerd in moorden, complotten, staatsgrepen. Hij blijkt meer geïnteresseerd te zijn in de slechtheid die mensen doen, dan in de goedheid die wordt nagestre Regimine principum en De Heerser

Machiavelli heeft duidelijk de antieke werken gebruikt om zijn eigen visie te verwoorden. Realpolitik werd geïntroduceerd door Machiavelli. Maar wat had dat voor effect heeft zijn filosofie nou gehad?

Er zit meer achter Machiavelli dan de term ‘realisme’ impliceert. In dezelfde passage kondigt Machiavelli zijn verbreking, en zelfs zijn verstoting van alles wat voor hem kwam. Hij vervangt en vormt volgens zijn eigen ervaringen elementen van het Christelijke rijk en de Romeinse republiek, met het doel om een nieuwe vorm van politieke organisatie te vormen in wat wij tegenwoordig het moderne staat noemen. Machiavelli is de stichter, de ontdekker, de uitvinder van de moderne staat. Deze moderne, seculiere, soevereine staat was verfijnd en uitgewerkt in de eeuwen na de dood van Machiavelli. Dit gebeurde in het werk van Hobbes, Locke, Rousseau, om over de schrijvers in de twintigste eeuw, van de rechtse en linkse kant van het politiek spectrum, maar te zwijgen zoals, Max Weber, Karl Schmidt en een Italiaanse filosoof, Antonio Gramsci waarvan, zijn boek, ‘De Moderne Heerser’ is gebaseerd op Machiavelli zelf.
Machiavelli’s staat heeft op zichzelf ook universele ambities in vele manieren, zoals zijn Christelijke en Romeinse voorgangers. Maar dit is een staat, gelooft hij, die bevrijdt of geëmancipeerd is van Christelijke en klassieke opvattingen van deugden. Het management van de staat laat hij over aan zogenoemde heersers. Machiavelli’s term voor een soort van politiek stichter of leider, begiftigd met een ambitie, liefde voor glorie en charisma.
Maar wat was nou de specifieke revolutie, beraamd door de stichter van modern politieke wetenschap? In welke opzichten breekt hij met de ‘oude’ middeleeuws denken? Daarvoor kijken we naar het werk van Aegidius Collona: De Regimine Principum. Allereerst gaan we de kern ontdekken om het daarna te ontleden en uiteindelijk te vergelijken met de visies van Machiavelli.

Koningen kunnen hun eigen geluk meten aan de hand van het geluk van hun staat. Alleen door de wil van God kunnen zij regeren onder zijn heiligheid en rechtvaardigheid door wijsheid kunnen ze regeren onder de wet van reden. Dan is het geluk allereerst aan god te danken. Door hem te kennen en hem lief te hebben zal de koning zijn leven weiden aan de studie van god. Door god te kennen en lief te hebben kan de koning zijn volk regeren die bestaat uit allemaal (gevarieerde) dienaren van god onder de wet van reden.

Dit is de kern van het boek van Aegidia Collona. Hieruit springen drie begrippen duidelijk erboven uit: God, reden en wijsheid. Hoe verschillen deze thema’s van de hoofdthema’s van Machiavelli? Daarnaast gaan we kijken naar de schrijfstijl van de twee heren.

We beginnen meteen met een overeenkomst: beide heren weiden hun boek aan hun heerser; Machiavelli aan Lorenzo de Medici; Aegidius aan Phillips IV ‘De Schone’. Dit vanuit het principe van de vorstenspiegel, een boek of manuscript dat een zogenaamde spiegel aan de vorst voorhoudt om hem/ haar de ‘juiste’ wijze van regeren voor te houden.
De wijze waarop de boeken gelezen werden is duidelijk anders. ‘De Regimine Principum’ werd aan de eettafel van het hof voorgelezen voor het hele hof. De bedoeling hiervan was om duidelijk te maken hoe een vorst zou moeten regeren, en hoe de onderdanen zich zouden moeten gedragen. Aegidius gaat ook veel verder dan alleen het gedrag en waarden van een vorst te beschrijven in het bestuur van zijn rijk, in tijden van vrede of oorlog, maar ook zijn eigen huishouden wordt voor hem gedicteerd. Aegidius besteedt een enorm gedeelte van zijn boek aan het huishouden, hieronder vallen het huwelijk en de kinderen. Hieronder een prachtig voorbeeld over de omgang met kinderen:

Geen enkele man is gelijk perfect. Daarom zullen kinderen beetje bij beetje leren zodat ze volleerd zijn als ze volwassen worden.
‘De Regimine Principum’ is ook een prachtig voorbeeld over hoe men in de Middeleeuwen met de antieke bronnen omgingen Aegidius gebruikt Aristoteles als zijn primaire bron. Zoals Politika, Ethica en Retorica van Aristoteles. In totaal richt Aegidius zich tot tweeëndertig verschillende bronnen. Het wonderbaarlijke is dat Aegidius de ´vaderlijke´ literatuur vermijdt. Het oude testament, Solomon en Augustine worden slechts één keer genoemd. In tegenstelling tot de 230 citaten van de Politika van Aristoteles. Dit is een prachtig voorbeeld van hoe ideeën uit de Oudheid, vooral Aristoteles, geïnterpreteerd worden in de Middeleeuwen. In de meeste gevallen neemt Aegidius de argumentatie over en breidt hij ze uit. Dit is typisch voor het schrijven in dit genre. Zo werd namelijk alle redeneringen uit de Oudheid voorgeschoteld. Machiavelli negeert de algemene opvattingen uit de oudheid en gaat er zelfs tegenin. In plaats van ze te volgen neemt hij zijn eigen ervaringen in het veld van diplomatie, bestuur en omgang met oorlog en ondersteunt zijn standpunten, visies en opvattingen uit de oudheid. Om een voorbeeld te geven. Machiavelli’s opvatting over vrijgevigheid en gierigheid onderbouwt hij met Caesar: Zo beargumenteert Machiavelli dat Caesar door vrijgevigheid aan de macht is gekomen. Maar zodra hij aan de macht was gekomen is Caesar meteen ‘gierig’ geworden. Machiavelli’s punt hiermee is: als hij, toen hij zijn doel had bereikt, was blijven leven en zich wat zijn uitgaven betreft geen beperkingen had opgelegd, zou hij zichzelf de das hebben omgedaan. Dit is een uitstekend voorbeeld van het grote verschil tussen de twee werken: Aegidius gebruikt de kennis van Aristoteles en vertaald het naar zijn eigen tijd of kopieert het volledig. Machiavelli gebruikt voorbeelden uit de oudheid om zijn eigen gedachtegang en ideeën te ondersteunen, te rechtvaardigen en te redeneren.
Een interessant gegeven is dat een van de bouwstenen van het werk van Aegidius God is. Maar hij verwijst bijna niet naar werken die spreken over goddelijke literatuur. Alsof hij het goddelijke niet meer hoeft te beredeneren; het is een gegeven dat het goddelijke bestaat en overal ‘principaal’ staat.
Hoewel hij het goddelijke niet opnieuw beredeneerd gebruikt hij weldegelijk principes, die theologisch van aard te bestempelen zijn, uit zijn tijd. Één daarvan is het principe van de vier kardinale deugden die oorspronkelijk opgesteld waren door de Griekse filosoof Plato (428 v. Chr. – 348 v. Chr.) en later werden geassimileerd in de christelijke leer onder Sint- Augustinus (Theoloog, filosoof en kerkvader, 354 – 430) en later uitgebouwd onder de Italiaanse theoloog en filosoof Thomas van Aquino (1225 – 1274) tot de versie die Aegidius gebruikt door zijn boek heen.
Deze vier kardinale deugden zijn: ‘wijsheid’, ‘gerechtigheid’, ‘standvastigheid’ en ‘matigheid’.
Om Aegidius te kunnen begrijpen moet men weten wat hij bedoelt met deze vier deugden. Hij gaat er vanuit dat de perfecte heerser alle deugden bezit.

Wijsheid kan het besten worden omschreven als de deugd van het morele kompas. Het is de deugd hebben om de juiste beslissing op het juiste moment te maken. Meestal is deze deugd verbonden met wijsheid en kennis. Het kan verfijnd worden als perfectie van het intellect van een intellectueel. Aegidius schrijft ook dat het onmogelijk is om Wijsheid te hebben en niet goed te zijn tegelijkertijd.

De tweede deugd is gerechtigheid. Hierbij heb je twee verschillende soorten: Legalis en equalis. Legalis is de normale vorm en equalis de speciale. De algemene wet onder de ’Legalis’ is om alle deugden te vervullen en al het kwaadaardige weg te jagen. Equalis is een speciale deugd waarin iemand rekening houdt met het recht van anderen en bepaald wat zijn eigen bezit is. Gerechtigheid gaat uit van het proper en het gemeenschappelijke goed. Zolang het in het belang van de gemeenschap en de stad is, is het goed voor iedereen. De wetten die zijn gemaakt voor het gemeenschappelijke goed en profijt monden altijd uit in allerlei manieren van goedheid.

De derde deugd is standvastigheid. Standvastigheid wordt gewoonlijk moed genoemd. Maar het is anders dan wat wij vandaag de dag als moed zien. Standvastigheid is altijd beredeneerd en redelijk; de persoon die Standvastigheid uitvoert is bereid zichzelf, zo nodig, in gevaar te brengen. Hij zoekt niet het gevaar op vanwege het gevaar zelf. Als de derde kardinale deugd heeft het ook een deel in het grotere geheel: Wijsheid en Gerechtigheid zijn de deugden waardoor we kunnen beslissen wat er moet gebeuren Standvastigheid geeft de kracht om het ook uit te voeren. Maar als iemand het lichaam of zijn of haar leven in gevaar brengt waar het niet nodig is wordt het geen Standvastigheid genoemd maar dwaasheid.
Soms is het ook nodig om het ultieme offer te geven. Om op te komen voor wat recht is en de ziel te redden. Standvastigheid is de deugd van de martelaren; diegene die bereidt zijn om hun leven te geven in plaats van hun geloof op te geven

De vierde deugd is Matigheid. Dit is de gematigdheid van gevoel en gedachten. Van boosheid en wraakgevoelens tot seksuele lusten. Matigheid staat centraal in het Oude testament als de hoofdwaarde. Matigheid zou men in alle aspecten van het leven moeten uitvoeren.

Hierboven staat dus een overzicht van de vier kardinale deugden die de lijdraad zijn in het verhaal van Aegidius. Hiernaast zijn er nog drie deugden die een koning zou moeten bezitten op het vlak van bestuur: Liberalitas, Magnificencia en Honoris Amatiua. Dit is zeer interessant als dit wordt vergeleken met de bestuur waarden van Machiavelli.

Liberalitas, dit begrip is de tussenweg tussen een vrek en iemand met een gat in zijn hand. Oftewel: gematigd uitgeven en met kosten omgaan. Liberalis is niet de liefde voor geld, maar voor de liefde om het geld goed te besteden.

Magnificencia, dit begrip is eigenlijk het tegenovergestelde van Liberalitas; grote uitgaven met hoge kosten. Met Magnificencia kan grote dingen voltrokken worden, het is alleen moeilijk om de rijkdom op een juiste manier te gebruiken. Magnificencia ligt precies tussen het ‘paruificencia’ wanneer er niet genoeg word uitgegeven om iets voor elkaar te krijgen en ‘consumpcio’ wanneer er teveel word uitgegeven om iets voor elkaar te krijgen.
Men mag dit op vier verschillende manieren uitvoeren: allereerst; uitgaven voor de verering van God ten tweede voor de gehele gemeenschap; ten derde voor speciale personen en tenslotte voor jezelf.

Honoris Amatiua, Een prins of koning die houdt van het verlangen naar eer en aanbid worden heeft de term: Honoris Amatiua. Dit houdt in: de liefde voor eer. Dit in de redenering dat de koningen en prinsen die aanbeden en geëerd willen worden, ook liefde hebben om werken en daden te verrichten die het waard zijn om aanbeden en vereerd te worden.
Deze drie deugden kan men niet zien als de vier principale, maar wel als benodigd om een goed vorst te kunnen zijn. Hierover schrijft Aegidius:

Geestelijken en filosofen zijn het erover eens dat alle deugden moeten worden aangenomen en samen worden gezien als één groot goed. Als men één deugd niet bezit, bezit men er geen.

Oftewel: wie goed wil zijn moet alles hebben. Wie slecht is; heeft maar één slechte eigenschap nodig. Het is alleen in de werkelijkheid zo dat prinsen en koningen vaak maar een paar deugden in bezit hebben. Maar om goed te kunnen regeren moeten ze Wijsheid en Gerechtigheid hebben. Maar deze twee hebben andere nodig om te werken. Daardoor kan men concluderen dat geen enkele deugd perfect is zonder de rest.

Machiavelli heeft een hele eigen opvatting over de christelijke deugden. Als al eerder duidelijk gemaakt: De christelijke waarden en leer hadden een negatieve invloed op de maatschappij, volgens Machiavelli. In plaats daarvan richt zich op de waarden van de heidense Romeinen; moed, wildheid, vertoon van pracht, eerzucht en verering van wereldlijke mannen zoals generaals en bestuurders. Dit noemde hij Virtù. Dit is geen morele kompas zoals de deugden van de christelijke leer, maar is meer gericht op het nationaal belang. Wat goed kan zijn voor het land en voor een bestuurder kan in tegenspraak zijn met de christelijke waarden. Machiavelli houdt totaal geen rekening met christelijke deugden en met goed en kwaad. Hij ziet alleen de pragmatische oplossing en gaat daarop in met een amorele blik. Voor hem is er geen moreel; het einde rechtvaardigt alle middelen. Dit is prachtig te illustreren door Machiavelli’s oplossing voor de consolidatie van macht in een nieuw vergaard gebied. Machiavelli ziet drie manieren om een nieuw vergaard gebied te consolideren: de eerste is ze te verwoesten, de tweede is er zelf te gaan wonen, de derde is ze te laten leven volgens hun eigen wetten, waarbij je dan in een dergelijk gebied belasting int en een regering aanstelt bestaande uit een klein aantal personen dat ervoor zorgen dat het gebied te vriend met je blijft. Dit is een prachtig voorbeeld over hoe Machiavelli redeneert: hij ziet alleen het einddoel voor ogen. Dat doel is de macht consolideren in een specifiek gebied. Hoe een heerser dat voor elkaar krijgt is irrelevant. Alles wat pragmatisch is en werkt is veroorloofd volgens Machiavelli. Hiervoor, zoals bij al zijn redeneringen, refereert hij naar de oudheid. Hiervoor gebruikt hij allereerst de Spartanen om aan te geven hoe het niet moet: Spartanen hadden Athene en Thebe in bezit en stelden een oligarchie in, maar toch verloren ze beide steden weer. Machiavelli bedoelt hiermee: de Spartanen zetten een eigen regering op die niet dezelfde regels en wetten nastreefden als het oude gezag, daardoor ging het fout. Hij verwijst naar de Romeinen over hoe het wel zou moeten: de Romeinen verwoestten Capua, Carthago en Numantia om deze steden te behouden, en zij verloren ze niet. Machiavelli redeneert daarna verder: En inderdaad bestaat er geen betere methode om bezit te consolideren dan volledige vernietiging. Want zodra iemand de baas wordt van een stad die gewend is in vrijheid te leven, en hij haar niet vernietigt, moet hij erop rekenen zelf door haar vernietigt te worden. Zij kan immers, wanneer zij in opstand komt, altijd een rechtvaardiging vinden in het woord vrijheid en in haar vroegere bestuursvorm: dingen die men noch door de tijd, noch door weldaden ooit vergeet. Deze redeneringen zijn uit den boze volgens de christelijke principes. Machiavelli negeert elke principe van moreel bezwaar. Er bestond een enorme breuk in het ‘genre’ van de prinsenspiegel. Daarvoor was het genre prinsenspiegel gedomineerd en volledig bestaand uit theologische filosofen die de heerser een lijdraad van goed regeren wilden meegeven.

Over wat een heerser moet doen om in aanzien te staan schrijft Machiavelli dit: “Niets verschaft een heerser meer aanzien dan het feit dat hij grote militaire acties onderneemt en uitzonderlijke staaltjes van bekwaamheid levert” Hij gaat hierbij uit van de ‘heidense’ deugden. Aegidius gaat juist uit van de meer bescheiden deugden van het christendom. Hieronder een citaat van Aegidius over liefde als voorbeeld:

De goedheid van God en van de gemeenschap staat boven het goed van het individu. Elke man zou dan allereerst de goedheid van de gemeenschap en God lief hebben. Want de goedheid voor de mens, vanuit God, is veel groter dan de goedheid van de mens voor zichzelf.

Hierbij zie je dat de grootsheid van een vorst veranderd in de tijd. In de tijd van Aegidius werden koningen, door de theologische schrijvers, juist proper en sober geacht. Terwijl in de tijden van Machiavelli de schrijvers van een nieuw genre: politieke analyses, uitgevonden door Machiavelli, de grootsheid in de meer wereldlijke deugden in acht nam in hun calculaties.
Machiavelli schrijft ook over een nieuw soort heerser. Een heerser die niet door bloedlijnen en erfgenamen de positie die hij heeft, heeft verworven. Nee, hij praat over een nieuwe heerser die eigenlijk uit ‘ex nihilo’, uit het niets zijn macht heeft verworven. Dit is ook nieuw in het genre. Aegidius behandelt eigenlijk alleen de heerser die al stevig in het zadel zit, of een nieuwe heerser in een lange lijn van voorvaderen die al de koningstitel hadden gedragen. Machiavelli richt zich op de nieuwe heerser. Hij haalt voorbeelden uit het verleden: Mozes, Cyrus, Romulus Theseus en soort gelijke personen noemt hij op. Hierover schrijft Machiavelli dit:

Maar laten we eens naar Cyrus kijken en naar alle anderen die een rijk hebben veroverd of gesticht, dan zal blijken dat zij allemaal onze bewondering verdienen. En als we hun bijzondere daden en maatregelen bezien, zullen we tot de conclusie komen dat deze niet verschillen met die van Mozes, die over een zo groot leidsman beschikte. Wanneer we hun verrichtingen en hun leven nagaan, zien we dat zij van de fortuin alleen maar de kans kregen om aan een bepaalde werkelijkheid die vorm te geven die hun goed toescheen. En zonder die kans zouden de kwaliteiten van hun geest uitgedoofd zijn, en zonder die kwaliteiten zou de kans zich tevergeefs hebben voorgedaan.

Deze personen uit het verleden hadden de mogelijkheid om in hun eigen wereld grootsheid te ondergaan, maar vooral te herkennen. De herkenning werd vooral mogelijk gemaakt door hun eigen capaciteiten. Zij zagen de mogelijkheid en zij grepen de mogelijkheid en vormden die om in de vorm die volgens hen voldoet.

Aegidius heeft ook een duidelijk beeld van goed en slechtheid in de mens. Hierin onderscheidt hij vier fases van slechtheid en vier van goedheid. Hier is op zich niks mis mee totdat hij bij de vierde fase van slechtheid komt: hij verwijst hier naar bestialiteit in Pontus. Hier beschrijft hij hoe er ooit een gebruik was dat ze mensen vlees aten en mensenbloed dronken op feesten waarin zij hun kinderen opaten. Hij grijpt tevens terug naar de oudheid en mythe om de vierde fase van goedheid te ondersteunen: hij citeert Homerus die met Hector praat waarin hij de goedheid prijst van Hector en dat hij niet een zoon is van een man, maar van god zelf.

Aegidius geeft een duidelijk beeld van hoe een rijk bestuurd zou moeten worden. Er zijn drie goede staatsvormen: monarchie, aristocratie en eigenbestuur, (= stadstaten), en drie slechte staatsvormen:
Tirannie, oligarchie en democratie.
Dit gaat uit van deze redenering: als een vorst of koning voor het gemeenschappelijke goed werken zijn ze goed. Als het maar voor een klein aantal of niet iedereen gaat is het slecht. E.g. als een koning voor het gemeenschappelijk goed werkt is het een goede vorst. Als dezelfde koning alleen voor zichzelf werkt is het een tiran. Het al genoemde eigenbestuur zoals de schrijver dat noemt is iets zonder naam waar eigenlijk het eigen volk regeert over het volk. Hierin noemt hij de Italiaanse stadstaten als voorbeeld. Dit noemt hij: ‘principate gubernacioun populi’ of: het bestuur van het volk.
Hierop voort bouwend noemt hij vier hoofdredenen waarom een staat bestuurd zou moeten worden door maar één iemand. De eerste is dat één iemand kan beter voor het land zorgen. Als er meerdere prinsen zijn, zijn er meerdere meningen en allen doen wat anders en werken elkaar tegen. De tweede is dat als alle macht in maar één iemand is gehuisvest het veel makkelijker is om over een stad te regeren. De derde gaat uit van vriendelijkheid – in dit geval is vriendelijkheid de houding van de vorst tegenover het volk – als alle vriendelijkheid in één lichaam zit, dan uit het zich veel makkelijker. Voor de vierde blikt hij terug in het verleden, zonder voorbeelden te gebruiken. Hij zegt dat steden die niet geregeerd worden door een koning meestal worden geplaagd door oorlog en opstanden, terwijl steden onder een koning overvloed en vrede genieten. In deze vier stadia ziet Aegidius ook een stapsgewijze manier van goed naar perfect regeren.
Onder regering van het volk (stadstaat): eenheid is goed.
Onder regering van weinige (aristocratie): eenheid is beter
Onder regering van een koning (monarchie): eenheid is perfect

Dit is een interessante redenering van Aegidius. Waar Aegidius zes bestuursvormen onderscheidt, heeft Machiavelli het maar over verschillende vormen van bestuur: een volksregering of een alleenheerschappij. Een volksregering is duidelijk een republiek. Een alleenheerschappij is een monarchie of elke andere vorm ervan. Hier gaat Machiavelli niet uit van goed of kwaad. Hij gaat verder: hij negeert het hele concept goed en kwaad. Machiavelli werd ooit beschreven als een koude technicus die ethisch en politiek gezien ontoegewijd was. Tevens beschreef dezelfde persoon dat hij een objectieve analist was met een politiek en moreel neutrale blik op de zaken. De Prins werd aangehaald als een satirisch werk; hij kon onmogelijk precies menen wat hij zei. Andere zeiden dat het juist een waarschuwend verhaal is: waarschuwen voor wat de heersers en despoten konden doen. Uiteindelijk ben ik het zelf eens met de Duitse filosoof Hegel (1770 – 1831) die schreef dat Machiavelli een genie was omdat hij de behoefte inzag om een chaotische en zwakke collectie vorstendommen te verenigen in een samenvattend geheel. Hegel spreekt hier over de Italiaanse stadstaten in de tijd van Machiavelli. Verder schrijft Hegel dat de wondermiddeltjes van Machiavelli misschien walging oproepen, maar dat het nodig was in die tijd. Hierdoor is het werk van Machiavelli in veel opzichten verouderd. Maar ondanks dat het verouderd is in het heden begreep hij iets veel belangrijker – de vraag van zijn eigen tijd – dat het uur had geslagen voor de geboorte van een moderne, gecentraliseerde politieke staat. Door die formatie had hij de nodige fundamenten gelegd.

Op de vraag of Machiavelli’s boek De Heerser in de Renaissance past zijn meerder antwoorden mogelijk. De Heerser is een prachtig voorbeeld van hoe de vele gebeurtenissen en wijsheden uit de Oudheid geïnterpreteerd kunnen worden in de vroege jaren van de 16e eeuw. Machiavelli gebruikt vele scenario’s waar de grote namen uit de Oudheid hun waarde hadden bewezen, om het daarna om te zetten in bestuurstechnieken die men kan gebruiken in Machiavelli’s heden. Dus: het past uitstekend.

Maar dit is niet het gehele antwoord. Machiavelli interpreteert en assimileert niet alleen, hij vormt het om in een totaal nieuwe gedachtestroming: zijn gedachtestroming. Deze gedachtestroming heeft in de vele eeuwen daarna een enorme invloed gehad en zelfs nu worden zijn gedachtes op een profetisch niveau nagevolgd. Zijn Ideeën zijn niet kenmerkend voor de Renaissance, de Renaissance heeft juist zijn gedachtegang en zijn ideeën mogelijk gemaakt. Zoals Machiavelli zelf schrijft over Cyrus, Romulus en andere grote leiders uit de Oudheid: de fortuin geeft hen de kans om een bepaalde werkelijkheid vorm te doen geven die hen goeddunkt. Machiavelli heeft ook de kans gekregen van de fortuin om zijn eigen werkelijkheid vorm te geven.