Het verschil in Gevoel Burned Out Tussen mannen en vrouwen in Nederland

Het verschil in Gevoel Burned Out Tussen mannen en vrouwen in Nederland

Inleiding
In Nederland telt de werkzame beroepsbevolking ruim 7 miljoen mensen. Volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) had in 2004 een op de tien werkenden het gevoel opgebrand te zijn. Vrouwen voeren nog steeds een overgrote meerderheid van de huishoudelijke taken uit, ook nemen vrouwen in de meeste gevallen het grootste gedeelte van de kinderopvangtaken op zich (Piotrkowski & Repetti, 1984; Pleck, 1985). Bovendien besteden ze ook meer uren aan hun baan zowel thuis als op hun werk (Meissner, Humphreys, Meis, & Scheu, 1975; Pleck & Staines, 1982). Vanuit een traditioneel oogpunt zouden vrouwen volgens onderzoekers meer kans hebben op het krijgen van burn-out verschijnselen (Greenglass, 1991). Deze speculatie dat burn-out meer voorkomt onder vrouwen dan mannen is niet ongewoon, maar wel riskant. Op de werkplek, kunnen medewerkers en leidinggevenden waarnemen dat vrouwen sneller uitbranden dan mannen (Purvanova & Muros, 2010). Onderzoek toont aan dat mensen stereotypisch ervan uitgaan dat vrouwen gevoeliger zijn voor stress en sneller doorslaan dan mannen. Daarnaast kan de veronderstelling, dat een burn-out vooral bij vrouwen voorkomt leiden tot feit dat mannen niet genoeg aandacht of passende zorg ontvangen wanneer ze een burn-out ervaren (Wilcox, 1992). Dit laatste probleem wordt nog des te opmerkelijker als men bedenkt dat mannen en vrouwen een burnout op verschillende manieren kunnen ervaren (Purvanova & Muros, 2010). Echter is de aanname van de traditionele visie correct? Deze visie kan in twijfel worden getrokken aangezien er redelijk veel onderzoek is gedaan naar de mate van verschil tussen mannen en vrouwen met betrekking tot het krijgen van een burn-out waarbij onsamenhangende resultaten geconstateerd zijn.

Aangaande de bevindingen omtrent de relatie tussen geslacht en burn-out komt de volgende vraag naar boven: In hoeverre verschillen mannen en vrouwen met betrekking tot het krijgen van een burnout?

Er zijn verscheidene onderzoeken naar dit concept gedaan, echter tonen deze onderzoeken verschil in de conclusies die getrokken zijn. De wetenschappelijke relevantie van dit onderzoek is gebaseerd op het leveren van een meerwaarde voor het verklaren van de verschillede conclusies van de reeds geleverde onderzoeken. Overigens is het onderzoek ook vanuit een maatschappelijke visie belangwekkend om uit te voeren. Met name voor HR professionals is het onderzoek belangwekkend omdat zij als taak hebben om de zorg voor anderen op zich te nemen en hen te voorzien van hulp en ondersteuning waar nodig (Greenglass, 1991). De resultaten van het onderzoek zouden de HR professionals een beter inzicht kunnen geven op het gebied van zorg voor hun werknemers, waardoor de werknemers zelf ook profijt ervaren.

Om een beter inzicht te geven in het onderzoek wordt er eerst een theoretisch kader beschreven waarin de variabelen uiteen worden gezet. Vervolgens zal de methode van onderzoek aan bod komen, met aansluitend de resultaten. Tot slot zal de conclusie getrokken worden, gevolgd door een discussie.
Theoretisch kader

Burn-out
Burn-out is een soort van spanning als gevolg van langdurige blootstelling aan chronische, werk-gerelateerde stressoren en wordt gekenmerkt door drie kernsymptomen: een hoge mate van emotionele uitputting en depersonalisatie enerzijds, en een verminderde persoonlijke bekwaamheid anderzijds (Maslach en Jackson, 1981). Dit wordt ook wel de Maslach Burnout Inventory genoemd (MBI). Emotionele uitputting, is een gevoel emotioneel en fysiek overbelast te zijn en uitgeput door anderen. Depersonalisatie slaat terug op een onpersoonlijke houding ten opzichte van je cliënten of patiënten, en een verminderde persoonlijke prestatie impliceert een negatieve evaluatie van de persoonlijke prestaties en een laag gevoel van bekwaamheid in het werk met mensen.

Geslacht
Geslacht verschilt in verscheidene variabelen, zoals persoonlijkheid, complexiteit en leiderschap, vaak in het nadeel voor vrouwen (Matlin, 2004). Volgens de gender-role explanation worden de aanvaarde normen van de rol van het mannelijke geslacht geassocieerd met kracht, onafhankelijkheid, onkwetsbaarheid (Pleck, 1980; Greenglass, 1982). Vrouwen daarentegen zijn gevoeliger voor stress (Purvanova & Muros, 2010).

Geslacht en burn-out
Vanuit een traditioneel oogpunt zouden vrouwen volgens onderzoekers meer kans hebben op het krijgen van burn-out verschijnselen (Greenglass, 1991). Deze gevolgtrekking is te danken aan de rol van overbelasting (vrouwen hebben te veel om te doen) en de rol van conflict (het gevoel uit elkaar te worden getrokken doordat er tegenstrijdige eisen worden gesteld op hetzelfde moment) (Greenglass, 1991). Aangevoerd werd dat meerdere rollen schadelijke effecten op de gezondheid en het welzijn van vrouwen zouden hebben. Deze visie op de relatie tussen meerdere rollen en gezondheid is aangeduid als de scarity hypothese (Goode, 1974). De scarity hypothese gaat ervan uit dat een groter aantal rollen een grotere kans op stress, overbelasting en conflict creëert en, als gevolg, een verslechterende gezondheid. Daarnaast geeft de gender-role explanation ook een uitleg waarom vrouwen meer last zouden hebben van burn-out verschijnselen. Ook coping strategies geeft een verklaring voor het verschil in het ervaren van burn-out verschillen tussen mannen en vrouwen. Coping strategies is een mogelijke verklaring voor het gegeven dat mannen hoger scoren op depersonalisatie dan vrouwen vanwege het feit dat vrouwen een groter vermogen hebben om te gaan met inter-persoonlijke spanning (Greenglass, 1991). Tot slot zijn family role stressors ook van invloed op het verschil tussen mannen en vrouwen met betrekking tot het ervaren van burn-out verschijnselen (Greenglass, 1991). Inter-persoonlijke conflicten, vooral huwelijksconflicten zijn grote stressfactoren voor vrouwen (Dytell, Pardine & Napoli, 1985).

Zoals in de inleiding vermeld zijn er een aantal onderzoeken gedaan waarbij strijdige resultaten geconstateerd zijn tussen de relatie geslacht en burn-out. Izraeli (1988), Etzion (1988) and Greenglass and Burke (1988) vonden geen significante verschillen. Cuelenaere, Binnendijk & Jehoel-Gijsbers (2001) vonden wel significante verschillen. Slechts een aantal onderzoekers heeft de directe relatie tussen geslacht en burn-out onderzocht, waardoor de aard van het verband tussen de variabelen onduidelijk blijft. Bovendien zijn de empirische resultaten verschillend (Purnova & Muros, 2010).

Met name als gevolg van stereotypen zouden vrouwen sneller kans hebben op het krijgen van een burn-out dan mannen. Een Nederlands Onderzoek heeft uitgewezen dat vrouwen een hogere kans hebben om uitgeschakeld te worden voor het werk vanwege psychische klachten dan mannen (Cuelenaere, Binnendijk, & Jehoel-Gijsbers, 2001). Het krijgen van burn-out verschijnselen past meer bij het stereobeeld van vrouwen. Verwacht wordt het volgende:

Literatuurlijst
Hupkens, C.(2005). Burn-out en psychische belasting. Retrieved from http://www.cbs.nl/nl-NL/menu/themas/gezondheid-welzijn/publicaties/artik...

Piotrkowski. C.S. & Repetti. R.L. (1984). Dual earner families. Marriages and Family Review, 7. 99-124.
Meissner, M., Humphreys, E.W., Meis, S.M., & Scheu.

W.J. (1975). No exit for wives. Sexual division of labour and the culmination of household demands. Canadian Review of Sociology and Anthropology, 12. 424-439.

Wilcox, V. L. (1992). Effects of patients' age, gender, and depression on medical students' beliefs, attitudes, intentions, and behavior. Journal of Applied Social Psychology, 22, 1093−1110.

Purvanova, R.K. & Muros, J,P. (2010). Gender differences in burnout: A meta-analysis. Journal of Vocational Behaviour, 168-185

Greenglass, E.R. (1991). Burnout and gender: Theoretical and organizational implications. Canadian Psychology/Psychologie canadienne, 32:4

Maslach, C , & Jackson, S.E. (1981). The measurement of experienced burnout. Journal of Occupational Behavior. 2. 99-113.

Matlin, M. W. (2004). The psychology of women, 5th ed Belmont, CA: Thomson Wadsworth.

Pleck, J.H. (1980). Male sex role identity: Fact or fiction? Wellesley College Working Paper, Boston, Mass.

Greenglass, E.R. (1982). A world of difference: Gender rolesin perspective. Toronto: Wiley.

Goodc, W.J. (1974). A theory of strain. American Sociological Review, 25, 483-496.

Dytell, R.S., Pardine, P., & Napoli, A. (1985, March). Importance of occupational and non-occupational stress amongprofessional men and women. Paper presented at the meeting of the Eastern Psychological Association, Philadelphia.

Etzion, D. (1988). The experience of burnout and work/non-work success in male and female engineers: A matched pairs comparison. Human Resources Management, 27, 117-133.

Izraeli, D.N. (1988). Burning out in medicine: A comparison of husbands and wives in dual-career couples. Work and Family: Theory, Research and Applications. Journal of Social Behavior and Personality, 3, 329-346.

Greenglass, E.R., & Burke. R.J. (1988). Work and family precursors of burnout in teachers: Sex differences. Sex Roles, 18, 215-229.

Cuelenaere, B., Binnendijk, S. van, & Jehoel-Gijsbers, G. (2001). De WAO-beoordeling van 12 maandszieken [The assessment of work incapacity after one year of sickness absence]. Amsterdam, The Netherlands: LISV.

Houkes, I., Winants, Y.H.W.M., Twellaar, M. (2008). Specific determinants of burnout among male and female general practitioners: A cross-lagged panel analysis. Journal of Occupational and Organizational Psychology, 81, 249–276