Essay-Opdracht: Onderwijs in de Theorie en Praktijk

Essay-Opdracht: Onderwijs in de Theorie en Praktijk

Verwezenlijking verlichte ideeën
Inleiding
Nederland is altijd een verdeeld land geweest. Verschillende opvattingen die men ruwweg in politieke stromingen in kan delen zijn altijd aanwezig geweest. Vroeger was dit nog erger dan in het heden, de politieke stromingen verschilden ook van mening over een aantal belangrijke kwesties zoals leerplicht en kinderarbeid. Daarnaast had Nederland ook nog een standensamenleving. Hierover gaan we wat verder in.

Levensomstandigheden 19e eeuw
Nederland was een standenmaatschappij in het begin van de 19e eeuw. Dit was in die tijd heel vanzelfsprekend. De bovenste laag van de standen werd de gegoede burgerij genoemd en deze vormde ruwweg 6-8% van de bevolking toen. Tot de gegoede burgerij hoorden onder andere dominees, advocaten, notarissen, een selecte groep kooplieden, bankiers en regenten. Daarnaast had je de kleine burgerij, die gevormd werd door een kwart van de bevolking. Deze ontstond voornamelijk uit kleinere kooplieden, zelfstandige ambachtslieden en winkeliers. En dan had je nog de volksklasse die gevormd werd door een flinke 60-70% van de bevolking. Deze bestond uit onder andere paupers, maar ook straathandelaren, zeelieden, soldaten, vaste arbeiders, boeren etc.
Er werd natuurlijk veel onderscheid gemaakt tussen de standen. Vooral tussen de volksklasse en de gegoede burgerij. Bijvoorbeeld in het onderwijs werd er onderscheid gemaakt tussen de volksklasse en de gegoede burgerij. Zo kregen kinderen uit de gegoede burgerij thuis les van een gouverneur, in tegenstelling tot de rest. Burgers die welgesteld waren konden hun kinderen naar een particuliere school sturen. Maar de meeste ouders konden dit niet betalen, dus gingen de meeste kinderen ook naar het openbaar onderwijs. Voor hele arme kinderen was de school zelfs gratis, en betaalde de kerk de kosten. Ook hadden de volksklasse door hun lage financiële stand weinig mogelijkheden. Geld gaf je macht. De volksklasse kon geen goede artsen betalen, en kreeg daardoor over het algemeen slechtere medische hulp. Als er een schimmel uitbrak in de landbouw, deed dit de gegoede burgerij niks, maar de volksklasse kon sterven van armoede en uithongering. Vele werkten namelijk als boeren in de landbouw, en verdiende hiermee hun geld. Ze zouden geen geld meer verdienen.
Toen in 1848 de grondwet ingevoerd werd, ontstond het stemrecht. Men mocht stemmen in verkiezingen voor vertegenwoordigers van het land; de Tweede Kamer. Maar dit was niet voor iedereen. Hierin werd namelijk ook onderscheid gemaakt tussen de gegoede burgerij en de volksklasse. Ze regelden het stemmen namelijk via het censuskiesrecht. Dit houdt in dat de kiezer een bepaalde belastingsom betaald moest hebben voordat hij kon stemmen. Hierdoor zorgen ze dat het kiesrecht beperkt werd tot de verlichte en beschaafde burgers, ook wel gegoede burgers genoemd, en sluitte ze de volklasse (de arme burgers) uit, die dit niet konden betalen.
Zo werden op vele punten onderscheid gemaakt tussen de volksklasse en de gegoede burgerij. Voornamelijk het financiële voordeel dat de gegoede burgerij had op de volksklasse onderscheidde ze. Met geld kon je namelijk zoveel regelen. Er werd onderscheid gemaakt in het onderwijs, in het einde van de 2e periode van de 19e eeuw in het kiesrecht en op punten zoals medische zorg en financiële zekerheid en gezondheidszorg.

Kritiek op het onderwijs

De verlichters vonden dat het onderwijs in de republiek niet deugde. Dit kritiek ontstond al in de 2de helft van de 18e eeuw. Volgens hun waren de leslokalen te donker en onhygiënisch. Ook was het hoofdelijk onderwijs chaotisch en het bevorderde het verstand nauwelijks. Er was niet genoeg ruimte in de lokalen en de leerkracht moest controle houden over te veel kinderen. Op de lijfstraffen hadden zij ook kritiek.
Toen de republiek viel waren de verlichters hierover teleurgesteld . De schuld van dit verval gaven ze mede aan het onderwijs. Onderwijs was volgens hun een manier om moreel verval tegen te gaan en verlicht burgerschap en nationaal besef te kweken. De verlichters zagen het kind als een ongeschreven blad. Die doormiddel van ervaringen en gebeurtenissen vorm moest krijgen. Zij zouden graag zien dat ze bij het onderwijs het kwade niet strafte, maarjuist het goede beloonde. En vanuit dat goede verder werkte. Volgens hun werden de kinderen op deze manier zelfstandig en ontwikkelde ze een karakter. Dit was in deze periode zeker niet het geval. Met deze opvattingen moest het bestaande onderwijs wel worden verafschuwd. Dat gebeurde dan ook meer en meer.
Hier moest verandering in komen. De eerste stap in de goede richting was de schoolwet van 1806. Op deze wet bouwden ze stapje voor stapje verder tot het uiteindelijke resultaat: het onderwijs in het heden.

De schoolwet van 1806

Bij deze wet was het de bedoeling dat zoveel mogelijk kinderen uit lage sociale klassen naar school moesten. Hierin vind je het verlicht denkbeeld van gelijkheid in terug. Iedereen moet gelijk behandeld worden en in dit geval een gelijke opleiding ter beschikking hebben. Het probleem was echter dat veel ouders niet genoeg geld hadden om de schoolcontributie te betalen. Op deze manier konden de betere standen hun kinderen nog altijd naar apart onderwijs sturen. Kort samengevat veranderde er op dit opzicht bijna niks aan het chaotische onderwijs van de afgelopen jaren.

De schoolwet van 1857

Bij deze wet word veruit de belangrijkste verandering doorgevoerd; de scholen werden gratis. Niet alle gemeenten gingen hiermee in omdat ze de scholen nu geheel zelf moesten financieren en geen schoolcontributie van de ouders meer ontvingen. Hier kwam ook nog eens bij dat er meer materiaal nodig was omdat er nu meer kinderen naar school konden en ook gingen. Nu had elk kind rijk of arm de keuze om naar school te gaan, dit ter volle vreugde van de verlichte denkers.
Er kwamen ook meer vakken op de school. De kinderen leerden nu niet alleen lezen, rekenen en schrijven maar ook: aardrijkskunde, vaderlandse geschiedenis, kennis der natuur, vormleer( meetkundig tekenen) en zingen. Ook werd er meer aandacht besteed aan het schoolgebouw. En er werd een maximum ingesteld van 70 leerlingen per leerkracht.
Op deze manier werden de kinderen goed geïnformeerd over hoe onze wereld in elkaar zit. Dit volksonderwijs moest hen de kans geven boven het sociale milieu van hun ouders uit te stijgen. Braafheid en gehoorzaamheid deden dan ook steeds minder ter zake dan kennis en vakbekwaamheid. Door de verlichters werd dan ook de zin: “kennis is deugd”, in de mond gelegd.

De schoolwet van 1878

Bij deze wet werden voor een groot deel de verbeteringen van de vorige wet doorgetrokken; de kwaliteit van het materiaal/schoolgebouw werd beter. De sociale achtergrond van het kind deed er niet meer toe. Iedereen kreeg goed onderwijs en was in staat om zijn talenten zo goed mogelijk te ontwikkelen. Ook werden de lokalen kleiner en het maximum aantal leerlingen per leerkracht bijna gehalveerd tot 40. Wel werd het onderwijs hierdoor duurder. De rijksoverheid betaalde daarom 30% van alle kosten zodat de gemeente dit niet meer hoefden. Dit was wel onder de voorwaarde dat het onderwijs godsdienstig neutraal was. Het bijzonder onderwijs kwam door deze schoolwet nog meer in het nadeel. Het moest nog steeds aan de hoge kwaliteit eisen voldoen maar werd financieel niet gesteund door de overheid.

Al met al is er door de jaren heen veel veranderd. Zo zijn de scholen gratis geworden waardoor velen kinderen toegang kregen tot het onderwijs. Ook was er meer aandacht naar het lesmateriaal en andere schoolbenodigdheden. Je zag meer vakken verschijnen en de leraren voor kleinere groepen les geven. Ook verdwenen de bijzondere scholen omdat daar nog steeds schoolcontributie moest worden betaald. Op deze manier kwamen er steeds meer arme en rijke kinderen op dezelfde school. Dit verkleinde het verschil tussen de gegoede burgerij en het doorsnee gezin. En gaf uiteindelijk iedereen de kans om zijn visie aan de wereld bloot te leggen.

Kinderarbeid en Leerplicht kwesties
Kinderarbeid: In de eerste periodes van de 19e eeuw werd kinderarbeid als normaal beschouwd. Mensen die kinderen in dienst namen werden als weldoeners gezien. Er heerste een algemeen akkoord over dat dit goed was voor de kinderen, en ze discipline bijbracht. Rond 1850 begonnen de eerste protesten te komen. In 1860’s brak de stoommachine door en dit versterkte ook de protesten. Vooral fabriekswerk werd als gevaarlijk en ongezond gezien, en bovendien hield werken kinderen van school. Zelfs fabrikanten zelf waarschuwden tegen fabriekswerk en de gevolgen daarvan; zoals ondermijning van de ontwikkeling.
De aangaande kwestie draaide om de vraag of kinderarbeid moest blijven bestaan of niet. Of het goede gevolgen heeft voor het kind – of negatieve. Rond 1850 begonnen de eerste protesten tegen kinderarbeid op te komen. Er heersde vele verschillende opvattingen over deze kwestie. Liberale economen waren tegen de kinderarbeid. Zij vonden dat de overheid met de arbeid van kinderen zich wel moest bemoeien – kinderen konden overigens niet voor zichzelf opkomen. Ook geneeskundigen en onderwijzers waren ertegen. Er werden studies uitgelaten over kinderarbeid en de schockerende gevolgen daarvan. Daarnaast sloten ook een aantal organisaties zoals de Maatschappij tot Nut van ’t Algemeen en het Nederlands Schoolverbond zich aan bij de protesterende.
De confessionelen waren tegen de afschaffing van kinderarbeid. Zij vonden dat men niet mocht ingrijpen in het gezinsleven, en het recht dat de ouders hadden over hun kinderen.
De socialisten waren ook tegen de afschaffing. Volgens hun zouden de ouders er dan flink financieel op achteruit gaan en minder inkomen ontvangen. De conservatieve liberalen vonden dat de overheid zich niet met de sociale kwesties moest bemoeien, terwijl de progressieve liberalen voor de afschaffing/aanpassing van de huidige kinderarbeid waren. Volgens de progressieve liberalen werden de toekomstige generatie fysiek beschadigd door het te zware werk en was het afschaffen van de kinderarbeid goed omdat ze dan meer tijd voor school hadden. Zo werd te toekomstige generatie gezonder en slimmer, en dit bevorderde de economie van de toekomst.
Eerst deed de overheid niets. Er heerste veel twijfel, en men dacht dat de kinderen maar rond gingen hangen op straat en bedelen, en de ouders het geld van hun kind nodig hadden om het economisch te redden. Maar pas later, in 1871, zag Kamerlid Samuel van Houten in dat hij hier wat aan moest gaan doen. Zijn eerste voorstel werd niet aangenomen, hij vroeg om een totaal verbod om kinderen onder de 12 jaar in dienst te nemen. Dit werd niet aangenomen, maar in 1874 werd een iets andere ‘’Kinderwet van Van Houten’’ aangenomen dat alleen verbood om kinderen onder de 12 jaar in dienst te nemen in fabrieken en werkplaatsen.
Leerplicht: De vraag die ter discussie stond bij deze kwestie was of men wel of niet een leerplicht in moesten voeren. Opvattingen over deze kwestie waren verdeeld. Nederland was onderverdeeld in verscheidende politieke stromingen die elk een andere kijk hierop hadden.
Maar niet alleen per stroming waren de opvattingen verdeeld, sommige stromingen kon je zelf onderverdelen aan de hand van opvattingen. Zo had je onder de liberalen bijvoorbeeld progressieve liberalen en conservatie liberalen, die een andere kijk hierop hadden.
In 1870 stelde Kamerlid van Houten namens de progressieve liberalen voor om de gemeenten het recht te geven leerplicht in te voeren. Hij was van mening dat het recht van de ouders onderdanig was aan het belang van een goede opleiding. Dit zou zorgen voor meer ontwikkelde mensen en dat zou bijdragen aan het burgerschapsideaal van de liberalen. Hiermee waren de andere progressieve liberalen het eens, maar ze vonden het te vroeg voor een leerplicht, omdat de arme hierdoor inkomen zouden verliezen.
In 1880 waren de progressieve liberalen wel voorstanders geworden, zelfs sommige conservatieve begonnen voorstander te worden maar alleen de confessionelen bleven tegen. De confessionelen vonden dat het invoeren van de leerplicht tegen het gezag van de ouders ging, dat door God gegeven was. Ook vonden ze dat eerst bijzonder en openbaar onderwijs financieel gelijkgesteld moest worden voordat ze leerplicht ook maar overwogen, omdat anders ouders vrijwel geen keuze hadden om hun kind naar een openbare school te sturen. Ook de socialisten waren tegen het wetvoorstel voor de leerplicht. Volgens hun was de school voor arbeiders te duur geworden na de afschaffing van het gratis onderwijs in 1889. Daarnaast zouden ze er ook nog eens financieel op achteruit gaan omdat hun kinderen dan minder konden werken en dus minder verdiende. Alleen als de gemeente het inkomensverlies vergoedde door middel van gratis schoolvoeding en schoolkleding in te voeren wilden de socialisten de leerplicht steunen. De regering ging hier niet mee akkoord –dit zou hen teveel conservatief-liberale stemmen kosten.
Uiteindelijk kwam de wet op de leerplicht er. Het had in de Tweede Kamer met 50 tegen 49 stemmen gewonnen met een nihile meerderheid. De wet hield in dat ouders hun kinderen 6 jaar onafgebroken naar school moesten laten gaan en de gemeenten hadden als rol toezien dat de wet niet overtreden wordt en zo wel; te straffen.
Conclusie: Het duurde bijna een eeuw voordat de verlichte ideeën over onderwijs en kinderarbeid daadwerkelijk toegepast werden. Dit komt omdat kinderarbeid en afwezigheid van leerplicht een gewoonte was toen der tijd, en toen de verlichte ideeën kwamen er zoveel verschillende politieke stromingen waren, met elk eigen opvattingen, dat deze opvattingen botsten. Elke stroming had een eigen mening over deze kwesties wat ervoor zorgde dat het een tijd duurde voordat een compromis hierover gesloten kon worden.